Spreukjesbos

Herman Finkers – Het Spreukjesbos

De zon kwam op en de aarde draaide zich nog eens lekker om. Het was ochtend in Het Grote Spreukjesbos. Een spreukjesbos is een bos dat vol zit met spreukjes. Zoals: bomen, waardoor men het bos niet meer ziet, onkruid dat maar niet vergaat, vogeltjes die zingen zoals ze gebekt zijn… en één zwaluw.
U begrijpt wel dat in een spreukjesbos de ochtendstond goud in de mond heeft. En Hans en Grietje waren dan ook al vroeg uit de veren. Hans zei: ‘Grietje, zal ik met dit mooie weer mijn rokje aantrekken?’
….Sorry: ‘Hans’, zei Grietje, ‘zal ik met dit mooie weer mijn rokje aantrekken?’Taalwetenschappelijk gezien luistert de plaatsing van leestekens akelig nauw, want één verkeerde komma of letter maakt van Jezus nog een ketter. Zoals ze dat zo mooi kunnen zeggen in het spreukjesbos.
‘Doe niet zo gek, Grietje’, zei Hans, ‘een rokje… Je bent toch mijn broertje en niet mijn zusje?’ Ja, dat is waar. Hans en Grietje waren broertjes van elkaar. Jazeker, ze waren broertjes van elkaar: Hans en Grietje Titulaer.
‘En bovendien, Grietje’, zei Hans, ‘houdt dat mooie weer geen stand. Alle weeranalyses wijzen op onweer in de namiddag. Dus het is zaak dat we zo snel mogelijk aan de slag gaan met ons veldonderzoek’.
Twee zielen, één gedachte, en daar gingen ze. Nieuwsgierig als ze waren namen, namen de jonge wetenschappers alles in het spreukjesbos goed in zich op en maakten overal notities van. Zo was midden in het spreukjesbos een boer oude koeien uit de sloot aan het halen. Dat deed hij in willekeurige volgorde: Klara één, Klara twee, Klara drie en Klara vier. Puinhoop! Grietje noteerde alles en herschikte de koeien netjes in alfabetische volgorde: Klara drie, Klara één, Klara twee en Klara vier. Zo, dat stond een stuk overzichtelijker. Toen ze even later bij een paar hoge bomen kwamen die veel vind vingen, wist Hans te vertellen dat dat ‘Mammoetbomen’ waren. ‘Mammoetbomen’, zei Hans, ‘kunnen een hoogte bereiken van wel 120 meter, mits je ze niet te diep poot’.
Maar het meest interessante moest nog komen, vonden de beide jongens: het onweer. Het weer was al een stuk slechter geworden en er stond een stevige wind. Bij een klein huisje aangekomen schuilden zij even. Achter een raam van dat huisje stond een oude toverheks uitdagend met een elektrische ladyshave haar bikinilijn bij te werken.
‘Wat doen twee jonge jongens midden in het spreukjesbos?’ kraste de oude toverheks. ‘O, mevrouw’, grapte Grietje, ‘we hebben anorexia en zijn toevallig hier komen aanwaaien’. O, o, o. Dat is nou typisch Grietje he. Altijd van die ongelukkige beelden gebruiken.
‘Ik zou maar maken dat ik thuiskwam jongens, want er is onweder op komst’. ‘Ja maar mevrouw, wij vinden onweer juist een machtig interessant verschijnsel, wetenschappelijk gezien’. ‘Huh, wetenschappelijk gezien…Wij hier in het spreukjesbos houden er niet van onweder… Het begint wel flitsend, maar het eindigt altijd met gedonder’.
‘Maar dat is voor ons, van de wetenschap, nu juist zo interessant, mevrouw. Bij onweer moet je namelijk tellen’. ‘Tellen?’ ‘Ja mevrouw, tellen. Je moet tellen vanaf het moment dat je de flits ziet tot het moment dat je de donder hoort. En als je dan het aantal tellen deelt door de afstand waarop het onweer van je verwijderd is, dan weet je precies hoe snel je geteld hebt’. Ja, dat is handig hoor die wetenschap. ‘Dat gaat me allemaal te snel, jongmens. Ik ben ook al aardig op leeftijd, moet je weten’.
‘Hoe oud bent u dan, vrouw heks?’ ‘Hoe oud ik ben? Daar vraag je me wat jongens. Weet je, vorig jaar werd ik 99. En dit jaar word ik 94’. ‘Ach kom mevrouw… vorig jaar 99 en dit jaar 94?’ ‘Ja, jongens, ik ga hard achteruit’.
‘Kom mevrouw heks, niet zo somber he? Hans en ik hebben vorig jaar nog een onderzoek gedaan en uit dat onderzoek is gebleken dat toverheksen in 1996 gemiddeld zeven jaar later doodgingen dan in 1989’. (Let op: gemiddeld he. Het is wetenschap en dat is altijd gemiddeld.)
‘Jawel, maar hier in de buurt weet je maar nooit jongens. De één zijn dood is in het spreukjesbos de ander zijn brood. Weet je, de dokter hier probeert me al jaren lang euthanasie aan te praten. Ik zei: “nee doktor, nee. Pas als ik zo ver ben afgetakeld dat ik in mijn eigen uitwerpselen lig, mag u bij mij een pilletje overwegen”.
‘Norit schijnt erg goed te zijn’, zei Hans.
‘Ook zonder Norit maak ik het niet lang meer’, klaagde de heks, ‘want wie staat op het rolletje, die kost het in het spreukjesbos zijn bolletje’. ‘He gat mevrouw, niet zo somber. Ze zeggen toch ook wel: “krakende wagens lopen het langst”. En “hoop doet leven”? ‘Ach wat, “hoop doet leven….”. “Heden vol weerde, morgen in de …..” Een enorme bliksemflits verlichtte het spreukjesbos. Terwijl Grietje enthousiast begon te tellen, zakte Hans dodelijk getroffen op de grond. Handig die wetenschap… Hans’ laatste woorden waren: ‘De dood komt altijd…’
‘Zo’, zei de heks, ‘dat was wel heel onverwacht’.
Waarmee ik dit spreukjesboek bijna sluiten moet. Bijna sluiten moet, want één laatste spreuk heeft u nog te goed:

Nadat Hansjes dood
de familie was gemeld
heeft die familie
een mooie advertentie opgesteld:

‘Geen bezoek, geen bloemen,
we hebben het liefste geld’.
 

Reacties